193. Pieterpad Plus

De Pieterpadvoetstappen en de daaropvolgende gesprekken over het Pieterpad tijdens de papillondag wakkerden bij mijn baasjes een oud verlangen aan. Eenmaal thuis kwamen de Pieterpadwandelgidsen weer te voorschijn. We waren in het zuiden gebleven, maar dat is nu niet echt de place to be. Gelukkig liggen er ook in het noorden nog niet bewandelde etappes.

We kozen de verste uit: van Zuidlaren naar Rolde. Dat is 18 km lopen en als mijn baasjes hun best doen zal het ze waarschijnlijk wel lukken, maar wij lopen het Pieterpad voor de ontspanning, en dan is een kilometer of tien ver zat. We zouden dus stoppen in Gasteren, ongeveer halverwege.

Zo gezegd, zo gedaan. Soms beleef je grootse avonturen op het Pieterpad, maar nu niet. We liepen gewoon door de prachtige natuur en namen daarna de bus terug, wat ook al voorspoedig verliep. Zelfs het overstappen van lijn 52 naar 51 ging zonder noemenswaardige problemen.

Het was nog niet zo laat, dus was er nog tijd om onderweg naar huis te stoppen. Dat deden we bij Morris, die jarig was. Ik kan wel zeggen dat de verrassing geslaagd was. Niemand had verwacht dat wij voor de deur zouden staan… Met pijn in mijn hart gaf ik Morris een zakje heerlijke kauwstaven met wildsmaak cadeau. Maar ja, hij was jarig en ik niet. We dronken wat en babbelden wat en daarna gingen we dan toch echt naar huis.

foto gepikt van tante Corrie

Mijn baasjes worden altijd een beetje overmoedig als hun ondernemingen voorspoedig verlopen. Dus de week erop zouden we al de andere helft van de etappe gaan lopen. De rugzakken en wandelschoenen stonden ’s avonds al in de gang, toen het vrouwtje zich opeens herinnerde dat ze ’s morgens nog een prik moest halen.

Op de bluf ging ze een uurtje te vroeg, maar desondanks liep de planning toch behoorlijk vertraging op. Zeker toen er onderweg ook nog een vakantiegangersfile op de snelweg stond en er bij Gasteren een enorme omleiding was. Maar uiteindelijk, om half drie ’s middags, konden we dan toch van start. We hadden eigenlijk alledrie geen zin meer, maar ja, wat gingen we dan doen hier? Dus we vermanden ons en gingen op pad.

Dit keer voerde de route over het Ballooërveld. Tante Corrie had ons al eens gewaarschuwd: dat is niet voor mietjes. En dat was niet teveel gezegd. Ook al scheen de zon niet, het was benauwd weer en het pad voerde kilometers lang door mul zand. Om ons heen niets anders dan stilte. Ik had het gevoel dat ik, ondanks de nu groene heide naast het pad, in de woestijn liep en mijn baasjes verging het net zo. Gelukkig hadden we genoeg water mee.

Eindelijk waren we er door. Nog een paar hekjes op de route met enkeldiepe plassen ervoor, maar met wat kunst- en vliegwerk kwamen we daar toch droog langs. En toen was daar Rolde. Het vrouwtje haalde friet, snacks en vla bij de supermarkt terwijl ik met het baasje wachtte op de bank.

Opeens zag ik ome Sjaak. Ook toevallig eigenlijk. Ome Sjaak was met de auto en gaf ons een lift naar onze eigen auto. Kwam dat even mooi uit! Daarna reden we achter ome Sjaak aan langs oude boerderijen en dichte bossen. Even later stopten we, laadden al onze bagage in de auto van ome Sjaak en reden met hem mee de camping op. Daar zat tante Marjolein al op ons te wachten.

We bleven de hele avond, want de frituurpan was maar klein en de inkopen van het vrouwtje royaal. Met een dikke pens speelden we nog rummikub terwijl de duisternis inviel. Net toen ik dacht dat we hier de nacht zouden blijven braken we toch op. In het donker liepen we terug naar de auto, waar het navigatiesysteem zei dat we op 02.08 uur thuis zouden arriveren. Alleen had de wegwijsjuffrouw niet gerekend met een bestuurderswissel en een hazenslaapje bij de pomp. Maar om half drie, alleen nu ’s nachts 🙂 , waren we dan toch eindelijk thuis.

Die hele zaterdag kwamen mijn baasjes trouwens niet uit bed….

192. Vlinders in Vorden

Elk jaar organiseert tante Willy een clubmeeting voor alle vlinderhondjes en hun baasjes die zij kent. Ik hoor er nog niet zo lang bij, ik ben ook nog niet zo oud, maar aangezien ik Clubhond van het Jaar ben, kon ik natuurlijk niet verstek laten gaan.

We werden op de eerste zaterdag van juli voor zonsopgang verwacht. Althans, die indruk wekte mijn vrouwtje. Het bleek half elf te zijn, maar het vrouwtje was erg moe van haar eerste werkweek vol met festiviteiten. Dus wij gingen wat later. Maar dat is iedereen wel van ons gewend 🙂

Even na twaalf uur meldden wij ons in de kasteeltuin. De anderen hadden net hun koffie op en stonden klaar om aan de wandel te gaan. Ik zag mijn vriend Cody weer, en natuurlijk de hondjes van tante Willy. Verder waren er veel vlinders die ik nog nooit gezien had. Maar dat is alleen maar leuk.

Precies op de helft van het Pieterpad, bij de Pieterpadvoetstappen voor het kasteel, was het tijd voor de traditionele groepsfoto. Het had wat voeten in de aarde, maar uiteindelijk stonden we er allemaal op.

Door het bos liepen we terug naar het terras bij het kasteel voor een versnapering om de middag door te komen. Terwijl iedereen zo zat te babbelen piepte tante Willy er tussen uit. Ondertussen kwam mevrouw Vlindi langs, een blondine met twee vrolijke staarten. Ik vond dat ze heel erg op tante Willy leek, maar blijkbaar was ik de enige 🙂 Iedereen ging zich tenminste voorstellen aan de blonde mevrouw en de rest van de groep. Zo wist iedereen dat ik dit jaar de Clubhond ben (ik had mijn medaillon ook om voor deze bijzondere gelegenheid). Maar het was ook erg leuk om te horen hoe de anderen allemaal heetten en waar ze vandaan kwamen, van welke fokker of uit welk land.

Toen tante Willy weer terug was kregen we nog een veel te kleine hondencupcake met allemaal overheerlijke ingrediënten (en dunne poep de volgende dag 😛 ). En toen was het alweer tijd voor de pakjeskrat. Dat is ook traditie op de clubdagen: alle hondjes mogen een cadeautje uitzoeken. Mits je natuurlijk zelf ook een cadeautje hebt ingelegd. Omdat ik zelf zo leuk speel met een klein varkentje had mijn baasje voor dit onderdeel een nieuw varkentje gekocht.

Een beetje aarzelend kwam iedereen naar de krat. Maar niemand durfde er een pakje uit te halen. Nou, ik wel hoor. Thuis spring ik altijd in de speelgoedmand en dit was eigenlijk precies hetzelfde! Ik dook in de krat en zette mijn neus aan het werk. Het was even speuren, maar toen had ik ook een heerlijk pakje gevonden. Ik ging in de krat liggen voor optimaal comfort. Ik scheurde een klein stukje papier weg. Man, wat een goede keus, Scotty! Ik had een kauwstaaf met gedroogd vlees te pakken. Het was het kleinste pakje, maar wel het lekkerste!

Het vrouwtje viste mij uit de krat zodat de anderen ook een cadeautje konden grabbelen. Stella (op de middelste foto van het drieluik hierboven), het hondje dat in haar jonge jaren mijn look-a-like was volgens haar vrouwtje duikelde mijn varkentje op. Ze was er net zo blij mee als ik met mijn kauwstaaf!

Ter versterking voor de terugreis kregen de grote mensen nog een zelfgebakken saucijzenbroodje van mevrouw Riek en toen was het alweer afgelopen. Tante Willy ging met al haar cadeaus (als dank voor 20 jaar papillonclub en het organiseren van clubuitjes) richting de trein en wij stapten in de auto voor de lange rit naar huis.

En zo maak je dus nieuwe vrienden….

.

191. De lift

Het leek mijn saaiste vakantie ooit te worden. Het was heet in de keet, heet op het Pelgrimspad en heet in de wijde omtrek. We kwamen dus niet verder dan boodschappen doen, boeken lezen en dappere pelgrims spotten.

De tweede week bracht regen en onweersbuien, maar ook wat verkoeling. Niet veel, het bleef klam, maar we konden nu wel op pad. We bezochten middeleeuwse stadjes in de omgeving. De één was leuker dan de ander, maar aan het eind van de tweede week was ik wel een beetje uitgekeken op al die ouwe meuk 🙂 .

Op de laatste vakantiedag was het niet te warm en niet te koud en gingen we dan toch eindelijk een echte wandeling maken. We reden naar het Canal du Nivernais, waarlangs we vorig jaar een stuk gefietst hadden. In dit kanaal zit om de paar honderd meter een sluisje om het hoogteverschil op te vangen voor de boten. Vroeger werd er hout op vlotten vervoerd door dit kanaal, maar tegenwoordig varen er alleen nog maar plezierjachtjes.

Aan het begin van het kanaal bevindt zich de échelle de 16 écluses; 16 nauwe sluizen vrij kort op elkaar. Van de eerste naar de laatste is ongeveer 3,5 kilometer lopen en als je dan weer terug gaat heb je 7 kilometer weg gestapt. Dat leek mijn baasjes een mooie afsluiter van de vakantie.

En dat was het ook. Het was heerlijk om langs het water te lopen en overal gras om me heen te zien en te voelen. Het werd wel steeds warmer, maar ik ben een bikkel, ik loop gewoon door. De eerste sluis was gek genoeg meteen al nummer 6, dus we moesten tot de 21ste sluis lopen, hadden mijn baasjes uitgerekend.

We hadden net wat gegeten bij sluis nr. 14 toen iemand vanaf een bootje in de sluis contact met ons maakte. Het duurde even voor het vrouwtje de Franse volzinnen had verwerkt tot bruikbare informatie, maar toen riep ze volmondig oui. Dat is ja in het Frans 🙂 . Het drong nog niet helemaal door tot me door waarom we opeens zo snel naar de volgende sluis liepen, maar ik kwam er snel genoeg achter. De schipper had ons aan boord gevraagd!

De eerste verrassing was de scheepshond. Ik zei in mijn beste Frans dat hij bij me uit de buurt moest blijven, maar de bemanning bleek Zwitsers te zijn. Ze spraken prima Frans, maar die hond duidelijk niet. Ik besloot vriendschap te sluiten. Het was te warm om ruzie te maken en mijn baasje was zó blij. Helemaal toen hij het stuurwiel even over mocht nemen en les kreeg hoe je met zo’n bootje een sluis in vaart. Wat de schipper overigens voor de zekerheid zelf deed 🙂

We kregen wat te drinken, mochten benedendeks kijken hoe het eruit zag en genoten ondertussen van de lift. De schipper had gezien dat mijn vrouwtje wat moeilijk liep (na een pauze moet ze altijd even op gang komen met de ooit gebroken enkel) en dacht een goede daad te doen door ons een lift aan te bieden. Hij was dan ook heel verbaasd dat we pas op de heenweg waren en onze terugweg nu alleen nog maar langer zou worden. Maar wij eigenwijze Hollanders moesten het zelf maar weten dan.

Eén sluisje te vroeg namen we afscheid en begonnen aan de terugtocht. Het was ondertussen tropisch warm geworden en het was behoorlijk afzien. Maar aan het eind van de middag stonden we na twaalf hete kilometers (op de één of andere manier zijn het er altijd meer dan vooraf gedacht…) dan toch mooi weer bij de auto. Uitgeteld, doch zeer voldaan.

Met scheepshond Garfield in een sluis

190. Pelgrims

Toch nog onverwacht reisden we af naar Frankrijk. Het vrouwtje had onder coronavoorbehoud net als vorig jaar een huisje geboekt in de rustige Morvan op zo’n 700 km rijden. Het was lang spannend of we konden gaan, maar de seinen sprongen net op tijd op groen (of geel, net hoe je het bekijkt 🙂 ).

Het huisje was niet helemaal wat we ervan voorgesteld hadden, maar uiteindelijk zat alles wat we nodig hebben er toch in, dus we slikten de teleurstelling weg en maakten er wat van. Ook ik ja. Er zit namelijk een groot grasveld bij het verblijf en daar ben ik dol op. Maar ik mag niet alleen in die grote grastuin. De veranda is gebarricadeerd met een rammelend wasrek, omdat de erfafscheiding bij de ingang lager is dan gedacht, en als ik kwaad wil kan ik dus weg.

Nu wil ik dat meestal niet, maar soms heb ik mezelf niet helemaal in de hand. Als er een kat voorbij sluipt bijvoorbeeld. Of er slaat ergens een waakhond aan. Dan ren ik erheen en blaf zo hard ik kan. Mede daarom zoeken mijn baasjes tegenwoordig vrijstaande en volledig omheinde onderkomens, zodat niemand er last van heeft als ik blaf en ik ook weer ongehavend mee naar huis kan.

Deze locatie leek ze heel geschikt. Er loopt een rustig smal landweggetje langs het huis en de eerste buurvrouw woont 30 meter verder. Alleen dat rustige landweggetje is toevallig wel de GR13, waarover vanuit Vézélay de chemin des pellerins loopt. De wandelaars onder ons hoef ik verder niets te vertellen, maar voor alle anderen: dat is het Pelgrimspad naar Santiago de Compostella, een bedevaartsoord in Spanje. En er komen best veel pelgrims voorbij. Die ik eerst hoor en dan pas zie. Maar dat geldt voor hun van mij ook 😂.

Ook pal aan het wandelpad, net voorbij de bron, staat een groot huis te koop. Het ziet eruit als de meeste te koop staande Franse huizen: oud en vervallen. Maar in de dromen van mijn baasje heeft hij niet alleen een huis in Frankrijk, maar ook twee rechterhanden… “We kunnen er een herberg voor vermoeide pelgrims van maken”, fantaseerde het baasje hardop.

Het vrouwtje voelt meer voor de levensstijl van onze buurvouw. Dat is een oud madammetje. Ze zit meestal voor haar huis op een stoel in het zonnetje en als het erg heet is, zit ze met gesloten luiken binnen de dikke muren van haar huis.

Ondertussen hou ik haar huis dan een beetje in de gaten. Lukt precies vanaf de gebarricadeerde veranda. Als de post, de thuiszorg, de maaltijdservice of een willekeurige andere auto daar stopt meld ik mij direct. Hier waak ik. Attention au papillon terrible! Terwijl mijn geluid nog echoot over de velden slaan een kilometer verderop dan meteen drie andere honden en een haan aan.

Rustig hier? Ik vind het wel meevallen eerlijk gezegd 😁

driedubbele markering voor de pelgrims

.

189. Toerist in eigen land

Het was alweer een zomerse dag en zo warm dat zelfs mijn baasje geen jas en trui aan had. Om een beetje af te koelen zocht mijn vrouwtje een lekker winderige bestemming uit. De fietsen gingen op de fietsendrager en ik op de achterbank. We stopten in Volendam dit keer.

Vanuit Volendam fietsten we langs de voormalige Zuiderzee naar Monnickendam. Niemand van ons was er ooit geweest, dus we waren blij verrast toen we het stadje binnen fietsten. Leuke huisjes met trapgevels en mooie luiken en een prachtige toren. We vonden zelfs nog een echte monnick! De mensen op de terrassen waren vrolijk en de mensen op de fietsen ook.

We fietsten het stadje weer uit, zo over de Zeedijk richting Marken. Mijn oren wapperden in de wind. Het vrouwtje hield natuurlijk wel de meeste wind tegen, maar ik ging gewoon in het uiterste puntje van de fietskrat staan om zoveel mogelijk frisse lucht te vangen. Het was heerlijk!

Op Marken fietsten we eerst een rondje over het eiland. Mijn vrouwtje koos voor de route via de Rozewerf. Ik denk eigenlijk niet dat het een fietsroute was, want we zaten bijna klem tussen de huisjes en dan fietsten we nog achter elkaar. De huisjes uit de 18e en 19e eeuw waren allemaal even schattig om te zien en roken naar lang vervlogen tijden.

Langs de dijk, met een tegelpad wat denk ik nog ouder was dan de huisjes, rammelden en bommelden we vervolgens naar de vuurtoren. Gelukkig voor het vrouwtje stond daar ook een Dixie, want ze moest behoorlijk nodig. Ze bleef oneindig lang weg, maar toen het baasje kwam kijken wat er aan de hand was begreep hij het….

We reden de rest van de dijk af tot we in de haven van Marken waren. De grote boot die ons weer naar Volendam zou brengen, lag al op ons te wachten. We hoefden alleen nog maar even een kaartje te kopen. Toen we het tickethuisje niet vonden, herinnerden ze zich opeens dat de klompenmakerij een eindje verderop ook kaartjes verkocht. Snel fietsten we er heen, om het gebouw gesloten te vinden. De tijd begon nu te dringen. Met de trapondersteuning op 5 scheurden we door de straatjes van het kleine centrum om nog ergens kaartjes te bemachtigen. En jawel, drie minuten voor vertrek vonden we het tickethuisje! We konden mee!

Ik zat met mijn baasjes op het bovendek en genoot van de zon, de wind en het water. Ik snap nu wel waarom al die toeristen normaal gesproken (als ze hun land wel uit mogen), hierheen komen. Het was een heerlijk uitstapje en ik raad het iedereen aan die een dagje vakantie wil.

188. Samen delen

Opeens was het zomer. Dat is zo leuk aan het Hollandse weer, het is zo wisselvallig als je je maar kunt bedenken. Eén lange hete zomer? Vergeet het maar. 25 weken regen? Niks ervan. Elke dag ander weer..

Dus als het dan een zomerse dag of week is, dan moet je meteen je plan trekken. En in het geval van ome Sjaak is dat de grillmasterbarbecue naar buiten rijden en de familie uitnodigen om mee te genieten van het festijn. En ze kwamen. Allemaal. En omdat ome Sjaak ons ook expliciet had uitgenodigd waren Joy en ik ook van de partij.

Joy zat aan de riem om niet van het boventerras te vallen. Maar sinds kort heeft ome Sjaak een heuse trap en toen mijn vrouwtje één keer had voorgedaan hoe je die moest gebruiken kon ík wel gewoon los. Letterlijk. Ik rende over de tegels en plaste tegen de Afrikaanse lelies. Van tante Marjolein mag dat, dus waarom zou je je inhouden?

Tegen de verveling hadden mijn baasjes mijn grote kluif meegenomen. Het is een fijn ding, ik knaag er elke dag wel een uurtje aan. Ik trok me terug op de loveseat om de hoek van het huis. Joy, die toch wel ongedurig werd aan de riem, kwam even later kijken.

Kijken is niet erg. Vragen of je met mijn kluif mag ook niet. Maar stiekem proberen om van mijn kluif te proeven wel. Kluiven is geconcentreerd werk en daar kan ik geen pottenkijkers bij gebruiken. Ik gaf een zacht waarschuwingssignaal (het vrouwtje was er namelijk bij en die wil niet dat ik uithaal naar Joy). Joy deed of ze gek was. Ik waarschuwde iets harder. Het hielp. Joy nam wat meer afstand.

Hé, wat hoor ik daar? Hoor ik in de keuken daar een snackblik open gaan? Ik liet de kluif los en rende naar de keuken. Helaas, vals alarm.

Toen ik terug kwam had Joy zich over mijn kluif ontfermd. En nu liet zij een waarschuwend grommen horen toen ik mijn kluif terug wilde pakken. De jeugd van tegenwoordig is hondsbrutaal…

Het vrouwtje probeerde te bemiddelen. Ieder een kant en dan hield zij de kluif vast. Maar dat werkt niet. Ik wil alles of niets. Hoewel ik vreselijk de balen had, liet ik niets merken. Af en toe keek ik even op om te zien hoe het ermee stond, maar toen ze mijn kluif even losliet rook ik het al. Verpest! De kauwkant was helemaal doorweekt met vieze spuug. Ik ben echt niet gauw ergens vies van, maar dit vond ik smerig. Kwijl even je eigen kluiven onder, zeg.

We gingen naar huis. Joy dacht dat ik mijn kluif niet meer hoefde. Ze zag zichzelf al de komende weken thuis genieten van MIJN kluif. Maar ome Sjaak stak er een stokje voor. In de schuur annex werkplaats legde hij de kluif onder de cirkelzaag en zaagde er zo het natte stuk af. Joy dolgelukkig met het afgekloven stuk en ik ook weer blij met een opgeschoonde kluif. Sommige verhalen lopen toch goed af 🙂

Klik HIER als je geen filmpje ziet

187. De wet

Het baasje werd een beetje kriegel toen hij zag dat ik de placemat op tafel probeerde af te likken. Ze zaten nog na te tafelen en toen het vrouwtje even niet zo alert was, sprong ik op haar schoot. Ik wachtte nog een minuut of vijf en bewoog me toen voorzichtig richting de placemat. De borden waren al weg, maar op de placemats liggen soms ook nog wat lekkere restjes.

Ik maakte me uit de voeten, maar toen we later op de avond aan de thee zaten en ik mijn kluifje op had, begon ik er toch over. Want ze zijn dus wel in overtreding. Ik heb heus wel in de krant gezien dat er een nieuwe wet is aangenomen. In die wet staat dat geen enkel dier meer mag worden belemmerd in zijn natuurlijke gedrag. En mijn natuurlijke gedrag is dat ik graag eet. Niet alleen brokjes en bloemkool, maar ook broodkruimels, koekjes, drop, pannenkoeken, gebakken aardappels, vlees. Ik lust zelfs cup-a-soup, kwam ik vorige week achter, toen het vrouwtje haar kopje soep even naast zich neerzette op de grond. Ik zou het zelf alleen niet zo heet serveren…

Mijn baasjes zijn niet van plan hun eten met mij te gaan delen, hebben ze al gezegd. En ik ga ook niet de hele dag kluifjes krijgen, hoewel ik dat graag zou willen. Ze denken dat ik dan een worstenbroodje word en dat gunnen ze me niet. Want worstenbroodjes kunnen niet dansen en springen en achter de bal aanrennen. Dat zou inderdaad wel jammer zijn ja. Vooruit, één-nul voor de baasjes.

Volgens mijn baasjes is die wet met de beste bedoelingen gemaakt, maar zijn ze alleen een beetje doorgeslagen. Het mag dan wel onnatuurlijk zijn om aan de riem te lopen, maar als ik niet aangelijnd was buiten, zou ik achter alle katten uit de buurt aan rennen. Dat heb ik al eens eerder gedaan (zie weblog 05) en behalve ik vond niemand het leuk. Zonder riem zou ik ook alle honden op mijn pad beter kunnen wegjagen. Maar mijn vrouwtje is bang dat de grote honden uit de wijk dan naar mij uithalen, want die lopen dan natuurlijk ook los. En als ik niet verscheurd werd door een grote herder of de akita uit de flat, zou ik waarschijnlijk onder een auto lopen, want auto’s scheuren hier vaak en hard door de wijk. Nou goed, twee-nul voor de baasjes.

Ik zou ook overal kakkies doen waar het mij uitkwam en reken maar dat ik dat echt niet ging opruimen. Ook niet in weilanden en alpenweiden. Wel jammer voor de koeien, want het hooi kan er heel gevaarlijk door worden als er besmette kakkies in het gemaaide gras terechtkomen. Er worden dan geen kalfjes meer geboren. Het is dus toch wel beter als baasjes een beetje sturing geven aan waar ik mijn momentje heb. Hmmm, zitten we al op drie-nul voor mijn baasjes.

Eén ding weet ik echter wel heel zeker. Tandenpoetsen is absoluut onnatuurlijk voor een hond. Honden kunnen niet eens een tandenborstel vasthouden, dus tandenpoetsen kan echt nooit de bedoeling zijn. Toch moet ik me elke avond voor het slapengaan melden bij het vrouwtje, die dan met een speciale hondentandenborstel en gelukkig niet al te vieze tandpasta over mijn gebit rost. “Je wilt toch geen verrot gebit, Scotty? Dan moet de dierenarts je kiezen trekken en dat is echt niet leuk hoor”. Maar hoe ik ook zeg dat mij dat niet kan schelen, ze gaat er gewoon mee door. Voor mijn bestwil. Jaja. Nou, daar reken ik geen punten voor!

Mijn baasjes vinden dat ik geen dierenwet nodig heb. Zij laten mij al heel erg vrij. Volgens hen mag ik veel meer dan een gemiddelde huishond. Op bed slapen bijvoorbeeld. Dat mag echt niet iedereen. Overigens mag het ook alleen thuis. Op vakantie slaap ik in een bench. Niet iedereen houdt van hondenharen op bed 🙂 . Ik mag niet, maar toch wel, op de keukentafel. Behalve als de placemats er liggen, dan moet ik wegwezen. Het klinkt ingewikkeld, maar ik weet de regels prima. Ik mag bijna overal mee naar toe, dat kan ook niet iedereen zeggen. Zelfs naar het ziekenhuis (zie weblog 33).

Eigenlijk hebben ze één klein dingetje verkeerd gedaan met die wet. De ambtenaren en ministers hebben eindeloos vergaderd over de voors en tegens en iedereen is er vast heel serieus mee bezig geweest. Maar ze hadden ons dieren ook beter even kunnen raadplegen. Dan had ik wel gezegd dat een varkentje met een afgeknipte staart in een veel te klein hokje in een hele grote stal met honderden andere varkens niet hetzelfde is als een gelukkige huishond, die de beste zorg krijgt die er is, gewoon omdat zijn baasjes heel veel van hem houden…

186. Ontmoeting in Zeeland

We gingen naar Veere, want de hele wereld trekt naar Veere, en dan kunnen wij natuurlijk niet achterblijven 🙂 .

Nadat we in het vestingstadje aan het Veerse Meer wat rondgekeken hadden gingen we een grappig poortje door. We kwamen in een pikdonker tunneltje terecht, waar alleen ik zichtbaar was, omdat mijn vacht het kleine beetje zonlicht reflecteerde dat door de schietsleuven binnenviel. Het rook er wonderbaarlijk niet naar plas, dus ook ik hield me in.

Toen we uit de Stenen Beer kwamen (want zo heette de tunnel die tevens dient als afscheiding tussen het zoete water uit de gracht en het zoute water van het Veerse Meer), stonden we op de vestingwal. We liepen door tot we een trekveer vonden, lieten het baasje het zware werk doen en wandelden daarna langs de koeien en schapen zo het stadje weer in.

Ik dacht dat we weer een lange rit over de Deltawerken en Zeeuwse eilanden zouden maken, maar we reden eerst langs een camping en daarna opeens achter een zwart autootje aan. We reden een beetje heen en weer in Oostkapelle tot de telefoon ging.

Het was tante Renate vanuit het zwarte autootje. “Ik weet niet precies waar het is”, zei ze. “Dat idee had ik al”, zei het vrouwtje. Een half uur later hadden we het dan toch gevonden: de vuurtoren. In Westkapelle 🙂

Het baasje parkeerde de auto tegen de wind in en het vrouwtje reserveerde een mooie picknickplek tegen de auto. Even later kwam tante Renate er aan met een berg frietjes en snacks. Joy was door het dolle heen toen ze mij zag. Heerlijk om zo populair te zijn!

Toen iedereen verzadigd was, was het tijd voor nog een paar foto’s ter herinnering aan dit feestelijke moment, waarna tante Renate terugging naar de camping in Domburg en wij alsnog over de Zeeuwse eilanden terug naar huis tuften, waar we net voor het donker aan kwamen.

.

185. The great escape

“Hoe laat zullen we afspreken?” vroeg de fietsmevrouw. “Op het laatste nippertje”, zei mijn vrouwtje. “Dan zijn we altijd op tijd.” Ik vond het wel logisch klinken. En het was haalbaar, ook niet onbelangrijk. Vijf minuten voor het laatste nippertje waren wij ter plaatse, de fietsmevrouw volgde enkele minuten later.

We stonden voor een tuin met kruiwagens, schoppen en een grote berg schelpen. De fietsmevrouw en mijn vrouwtje hadden zich dit jaar opnieuw opgegeven om als vrijwilliger aan de slag te gaan voor NL Doet. “Ik ben benieuwd hoelang jullie het dit keer volhouden”, zei het baasje, ons subtiel herinnerend aan het debâcle van vorig jaar (zie weblog 116).

IJverig gingen de vriendinnen aan de slag. Doordat ze zo laat waren, waren alle kruiwagens al vergeven, maar schoppen waren er nog genoeg. Telkens als er een lege kruiwagen aan kwam rijden vulden zij en de andere vrijwilligers ze met schelpen. Gelukkig bleven de kruiwagens steeds langer weg, want het scheppen was best inspannend.

Ik was in eerste instantie mee om te helpen, maar ik liep alleen maar in de weg. Dus ik bleef met het baasje op veilige afstand kijken naar al die hardwerkende mensen met rode hoofden. Ik zag dat het vrouwtje en de fietsmevrouw met elkaar stonden te smiezen. Opeens zetten ze hun schop opzij en liepen de tuin in. Als je zo teer bent als zij, dan is zo hard werken natuurlijk helemaal niet goed 🙂 .

In de tuin waren een paar mannen bezig de schelpen uit de kruiwagens netjes in de paden te harken. Doortastend als altijd regelde de fietsmevrouw ook een hark. Het was heerlijk werk vergeleken bij het schelpen scheppen. En toen werd het nog pauze ook.

Ik wachtte met het baasje in de auto, want behalve in de weg lopen, hadden wij nog niets gedaan. En dan heb je geen koffie met vlaai verdiend.

Opeens stond iemand op. “Mensen, het is NL Doet hè, geen NL Zit”. Langzaamaan stond iedereen op om weer aan de slag te gaan. De berg schelpen was weg, maar er bleek als verrassing nog een berg schelpen aan de andere kant van de tuin te liggen. Daar hadden de vriendinnen niet op gerekend. Het harken was wel fijn, alleen er waren veel te weinig harken. Dus dat werd toch weer scheppen.

Het vrouwtje keek eens om zich heen. De leider van het spul was al uit beeld. Hij gaf het goede voorbeeld bij de schelpenberg. Iedereen was wel iets aan het doen. Niemand lette op het vrouwtje. Met opgeheven hoofd, alsof het heel gewoon was, liep het vrouwtje de tuin uit en ging bij ons in de auto zitten. Net toen ze de fietsmevrouw wilde bellen dat ze gevlucht was, kwam de fietsmevrouw nonchalant aan gewandeld.

Samen namen we de opties door. Nog een half uur schelpen scheppen, samen met 1 hark nog een keer de paadjes harken of er tussen uit knijpen.

U mag zelf raden wat ze kozen…. 😛

184. Nattigheid

Tante Willy vindt dat ik best veel op stap ga met mijn baasjes. Ik vind zelf dat het wel meevalt. Neem afgelopen week. Het regende bijna aan één stuk door. En dan gaan wij dus echt nergens heen. Ja, tussen de buien door mag ik mee naar de bakker. Of naar het tuincentrum. Als het baasje vrij is mag ik ook zelfs mee naar de supermarkt. Niet erin natuurlijk. Ik moet met mijn baasje buiten wachten. In de regen die dan net weer begint.

Natuurlijk is regen nuttig en gezond. Het land heeft water nodig. Rivieren moeten op peil blijven. Maar om te wandelen is het toch niet zo aangenaam. Je wordt er zo nat van.

De blauwe regen, die andere jaren staat te pronken in de tuin met grote paarse trossen, laat nu zijn bloemen treurig hangen. Het regent niet alleen druppels, maar ook paarse bloemetjes. Voor de schuur ligt inmiddels een paarse plas bloemen.

De pinksterdagen gingen nat voorbij. Toen het een half uurtje droog was trokken mijn baasjes de stoute schoenen aan voor een royale plasronde door de wijk. Toen we halverwege waren vielen er weer grote druppels uit de lucht.

De paraplu ging open. Het baasje en het vrouwtje gingen dicht naast elkaar lopen, zodat alleen hun buitenste armen nat werden. Ik werd niet gevraagd om onder de plu te komen. Ik snap het ook wel, ik ben natuurlijk een stuk kleiner en dan moeten ze de paraplu wel heel erg laag houden, maar of het eerlijk is? Zij ieder één natte mouw, ik van onder tot boven kleddernat…

En het is dus niet nodig, hè. Mijn vrouwtje werd op social media meerdere keren getagd in reclames voor hondenregenkleding. Blijkbaar weet iedereen hoe ze mij laten afzien en willen ze wat aan deze misstanden doen 🙂

Ik ben er alleen nog niet helemaal over uit of ik er nou knapper van word of niet….

183. Over de grens

“Gaan we nog op reis dit jaar?”, vroeg ik toen mijn baasjes na het eten neerploften op de bank.
“Op reis?”, vroeg het vrouwtje. Het was net of ze een beetje verbaasd klonk.
“Ja, op vakantie”, zei ik er voor de duidelijkheid bij.
“Nou Scotneus (dat is mijn bijnaam, ben ik sinds kort achter 🙂 ), dat weet ik zo net nog niet. Je mag nergens heen, jongen”.
“Mogen we echt hélémaal nergens heen?”, vroeg ik nu voor de zekerheid.
“Nee”, zei ze. “Je mag alleen naar Curaçao. En naar België. Als je er niet te lang lang blijft, tenminste”.
“Nou, dan gaan we toch naar België?”

Zo gezegd, zo gedaan. Een paar dagen voor koningsdag, op een dag dat de zon uitbundig scheen en je zonder jas naar buiten kon, vulden mijn baasjes hun rugzakken met proviand en daarna vertrokken we richting het zuiden.

We passeerden de grens. Nergens waren meer Nederlanders te bekennen. We reden verder. De enige gele nummerborden zaten op vrachtwagens, verder waren er alleen Belgische kentekenplaten te zien. Op de weg was het niet erg druk. Blijkbaar had niemand zin om naar Genk te gaan. Een beetje oncomfortabel voelde het wel. Het vrouwtje voelde zich heel stiekem. Maar het baasje had de smaak te pakken en was niet van plan om terug te gaan.

We stopten in Bokrijk, een natuurgebied met verschillende meertjes. Door één meertje kon je fietsen. Nu hadden we geen fiets mee, dus we besloten door het meertje te lopen.

Vanwege het virus gold er eenrichtingsverkeer. Wonderbaarlijk genoeg
1. arriveerden wij zomaar aan de juiste kant en
2. hield iedereen zich aan het eenrichtingsvoorschrift.
Toen we het water doorwaad hadden zagen we waarom: er stond een dame in een geel hesje iedereen weg te sturen die van plan was vanaf de verkeerde kant het water in te rijden. Het is fijn te weten dat mensen uiteindelijk allemaal hetzelfde zijn, in welk land ze ook wonen 😛

We liepen door naar het arboretum, waar de magnolia’s nog vrolijk bloeiden. Een enkele azalea stond ook al te pronken met bloemetjes. Onder de bomen bloeiden de bloembollen. De zon scheen fel, het was zeer aangenaam.

Er was bijna niemand in het bomenpark. En die paar die er wel waren gingen ons net zo uit de weg als wij hen. Dus durfden mijn baasjes het ook wel aan om het naastgelegen openluchtmuseum te bezoeken, dat tot 30 april vrij toegankelijk was om doorheen te wandelen. Ook hier een dame om met ons de regels door te nemen: nergens omkeren, niet afsnijden, alleen de wandelroute volgen. Of het met grote drukte ook werkt weet ik niet, maar nu was het prima te doen. Iedereen in zijn eigen kleine bubbel samen in het park.

Met versleten voeten kwamen we negen kilometer later aan bij de auto. We reden dezelfde route terug en waren ruim op tijd weer thuis voor de laatste stuipen van de avondklok.

Nee, het was geen noodzakelijke reis, maar wat was het fijn om gewoon weer eens onbezorgd op pad te zijn, zonder vooraf te hoeven reserveren of je zorgen te maken over waar je naar de wc kunt. Misschien bedenken ze zich in België binnenkort wel weer en gaat het slot er weer op, maar dit hadden we vast in de pocket…